Heden en toekomst van het autisme-vriendelijk ontwerpen

Heden en toekomst van het autisme-vriendelijk ontwerpen

Bijdrage van Flip Schrameijer aan het conferentieboek van de conferentie ‘Autism-friendly design’, georganiseerd door de National Autistic Society, gehouden op 9 oktober 2015, te Londen.

In haar uitstekende overzichtsartikel over de stand van zaken van het autisme-vriendelijk ontwerpen, nam Maria Assirelli haar eigen ervaringen tot uitgangspunt; en terecht, want ze vertelde hoe ze in 2005 een baan kreeg bij GA Architects, een kantoor in de voorhoede van het bouwen voor kinderen op het spectrum. Oprichter en partner Christopher Beaver schreef het eerste van een beperkt aantal baanbrekende artikelen over dit onderwerp in 2003 dat hij uitwerkte in 2006.

Mijn kennismaking begon in 2009 toen het autismecentrum Dr. Leo Kannerhuis me vroeg een brochure te schrijven teneinde de aandacht te vestigen op zijn ontwerp-expertise, opgedaan in betrokkenheid bij de bouw van talloze behandel- en langverblijfhuizen. Het Kannerhuis behandelt patiënten en ontwikkelt innovatieve programma’s, onder meer op het terrein van werk en onderwijs. De kern van zijn beleid is ‘levensloopbegeleiding’ dat patiënten voorziet van voldoende professionele steun om een (semi-)onafhankelijk en bevredigend leven te kunnen leiden. Als er voldoende huizen beschikbaar zouden zijn, aangepast aan de behoeften van mensen op het spectrum dan zouden uiteraard hun kansen worden vergroot om psychiatrische opnames te voorkomen of te bekorten. Dat was een belangrijke reden voor het Kannerhuis om te overwegen een service op te zetten die advies geeft over aangepaste architectuur voor mensen met autisme. De klantenkring die het Kannerhuis voor zich zag (betrokkenen bij zelfstandig wonen, bij het onderwijs en ouders die hun kinderen thuis houden, maar ook nog steeds behandel- en langverblijfhuizen) zou via die brochure moeten worden bereikt.

De Kannerhuismensen gaven me alle tips en trucs die ze in de loop der jaren hadden opgedaan; Programma’s van Eisen van een aantal nieuwe gebouwen, verslagen van vergaderingen met architecten, de geraadpleegde literatuur en ook de interviews die ze hadden afgenomen van bewoners, architecten en experts op diverse terreinen zoals kleuren, ramen, schaal en ‘noise-spaces’.

Ik moet toegeven dat ik niet blij was met deze opdracht. Ik nam hem aan omdat een eerdere poging een schrijver van buiten in te schakelen was mislukt en omdat ik vond dat ik ze – na in de voorgaande zes jaar drie andere boeken voor ze te hebben gemaakt – niet in de steek kon laten.
Het leek me een beperkt, nogal saai onderwerp zonder veel intellectuele uitdaging, behalve dan het orde scheppen in wat mij een willekeurige stapel architectonische aanpassingen toescheen.

Ik merkte al snel dat deze inschatting er totaal naast zat. Wat ik nu ‘de kernliteratuur’ noem (Beaver, 2003 en 2006, Whitehurst, Mostafa, Humphreys, Scott, Khare & Mullick)1 was een openbaring. Ik zag een nieuwe beweging opkomen gebaseerd op de realisatie dat tot dan toe onder ‘aanpassing van de omgeving’ bijna uitsluitend de sociale omgeving was verstaan (d.w.z. trainingen en voorlichting aan familie, leraren, job coaches et cetera over de aanpassing van het eigen gedrag aan dat van mensen met autisme). Aandacht voor de fysieke omgeving leek geheel vergeten te zijn, hoewel zintuiglijke en andere autistische handicaps als het ware al die tijd om die aandacht schreeuwden. Naarmate ik me er meer in verdiepte, begreep ik hoe de Kwaliteit van Leven van de kwart miljoen Nederlanders en de vele miljoenen mensen met autisme wereldwijd, geweldig verbeterd kan worden met eenvoudige en soms zelfs kosteloze veranderingen in hun fysieke omgeving.

Woonruimte buiten het ouderlijk huis

In Nederland woont 95% van de autistische jeugd tussen de 17 en 23 jaar bij hun ouders en is 30% van de thuiswoners ouder dan dat. Alleen al in de VS wordt een half miljoen teenagers op het spectrum in de komende tien jaar meerderjarig en veel ouders worden ziek van de zorgen over de vraag wat er van hun kinderen zal worden als ze zelf niet meer voor hen kunnen zorgen. Het schenkt immense voldoening om zelfs maar een beetje aan de verbetering van deze situatie te kunnen bijdragen.

Een autisme-coach en meelezer met de wording van de brochure vertelde me over een jongeman van wie al een paar pogingen tot zelfstandig wonen dramatisch waren mislukt. Zij besloot om een paar van de gemakkelijke en goedkopere aanbevelingen uit te voeren en schreef:

“Hij zit nu in een huisje tussen de weilanden, helemaal aangepast: rustige kleuren die passen bij het uitzicht buiten op al dat groen, heel donkere vloer en meubels, overal bordjes en picto’s, schakelaars en deurposten in afwijkende kleur voor zijn oriëntatie.   Degelijke zware stoelen waar je stevig op zit, een bankje wat omsluit, etc. Heel ruim opgezet voor loopruimte zonder aanraken.”
“Begin vorige maand is hij gestart. We waren allemaal bedacht op een nieuwe   psychose door zo’n grote verandering (locatie en begeleiding). En echt, ongelooflijk wat een verschil!
Nog geen maand verder gaat hij ontspannen fladderend naar zijn dagbesteding, slaapt hij uit, is hij super communicatief, begint hij spontaan stukjes zelfverzorging zelfstandig uit te voeren en krijgt hij zelfs ruimte voor initiatieven en nieuwe dingen leren. In deze moeilijke sinterklaas- en kersttijd!
Als dat geen bewijs is dat het goud waard is wat je doet!! Het hoeft niet eens perfect en duur uitgevoerd. We hebben goedkoop structuurbehang gebruikt, wel een wat duurdere vloer ivm geluid, maar verder echt surrogaat voor wat je zou kunnen laten doen door een bedrijf als je het perfect zou willen – en toch werkt het gewoon.”

Laatst sprak ik iemand van midden twintig die zijn Asperger-diagnose pas een maand eerder hoorde. Hij doet verantwoordelijke werk en is als de dood dat z’n werkgever erachter komt.
Vertellend waar ik mee bezig ben, illustreerde ik het belang van de gebouwde omgeving aan scholen: hoe cruciaal je plaats in de klas, de bewegwijzering, de angst voor de speelplaats, het gedrang van lichamen op gang en trap, het pesten en de noodzaak van toezicht door volwassenen. Maar bovenal het zintuiglijke vagevuur dat bijna alle scholen zijn. Lawaai dat de officiële geluidsnorm in 90% van de scholen overschrijdt en niet zo’n beetje ook. Overschrijding van de CO2-limiet komt net zo vaak voor en betekent een tekort aan zuurstof dat gevaarlijke risico’s op infecties met zich meebrengt en ook stank. Met de temperatuur in scholen is het niet of nauwelijks beter gesteld.
Ik besloot: “Dit soort omstandigheden zijn voor niet-autistische leerlingen al bijna ondraaglijk, laat staan voor die het wel hebben.”

Hij knikte en zei: “Ik heb de middelbare school afgemaakt dankzij mijn intelligentie. Ik vond het daar verschrikkelijk en onverdraaglijk. Ik zat twee derde van de tijd thuis, dus is het een wonder dat ik m’n eindexamen heb gehaald. We waren met z’n drieën. ‘Anders’, wist ik toen, autistisch weet ik nu. Ik ben de enige die het gehaald heeft. Een is van school gegaan en de andere heeft zelfmoord gepleegd omdat hij er niet meer tegen kon.”

“Waartegen? De fysieke omstandigheden of de andere leerlingen?”

“Alles bij elkaar,” zei hij.

‘Verbeteren van de Kwaliteit van Leven’ is dus een understatement. Autisme-vriendelijk ontwerpen helpt niet alleen om een goede opleiding, een baan of andere vormen van sociale participatie te bereiken, maar kan zelfs levens redden van mensen die tot een groep behoren met een zelfmoordcijfer dat ruwweg vier maal dat van de hele bevolking is.

Onbeperkte bronnen van inzicht

Mijn eerste indruk van dit onderwerp als beperkt tot praktische preoccupaties met deuren, vloeren, ramen en halletjes, was al even misplaatst. Mijn sociologie-opleiding had consequent in een richting gewezen weg van de wereld van dingen, naar de sociale wereld van sociale klasse, macht, waarden, attitudes en ideologie – abstracte begrippen waarmee de ware aard van de wereld om ons heen kon worden blootgelegd. (Misschien heeft ditzelfde vooroordeel ertoe geleid dat het zo lang heeft geduurd voordat psychiaters en psychologen de relevantie gingen inzien van de fysieke wereld waaraan mensen op het spectrum zich nog minder kunnen onttrekken dan anderen.)

Intussen heb ik begrepen dat het naïef is om te denken dat de fysieke wereld wel is wat hij lijkt. Zo zijn bijvoorbeeld kleuren niet veel anders dan wat we er in ons hoofd van maken, zonder objectieve realiteit; ze ontstaan pas nadat we de geschikte prikkels in onze hersenen hebben gemengd tot een resultaat dat voor de ene diersoort iets heel anders is dan voor de andere, met een goede kans dat dat voor mensen met en zonder autisme ook geldt.

Bij bestudering van het – voor mij nogal fundamentele – onderwerp ‘centrale coherentie’ leerde ik iets over hersenprocessen die geobserveerde stukjes buitenwereld voortdurend vergelijken met gegeneraliseerde denkbeelden die al in onze hersenen aanwezig zijn en op die manier de werkelijkheid construeren. Gebouwen maken, als door mensen gemaakte creaties, gebruik van deze hersenprocessen zodat we ons er thuis voelen en weten waar we zijn. Maar autistische mensen generaliseren niet zo gemakkelijk en soms helemaal niet. Heel vaak zien ze letterlijk door de bomen en de huizen het bos en de buurt niet meer.

Bij het Kannerhuis werd me verteld over een scholier die nooit leerde waar zijn klas precies was; de conciërge moest hem elke ochtend opnieuw de weg wijzen.

Bezig met autistische problemen bij ruimtelijke oriëntatie, las ik dat de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde vorig jaar was toegekend voor de ontdekking van een derde soort hersencellen die onderdeel zijn van de GPS die we allemaal met ons meedragen. De verbluffende ‘plaats-cellen’ die zich met informatie vullen over elke plek waar we komen, waren al bekend, net als hersencellen die, afhankelijk van de stand van het hoofd, oplichten als de streepjes van een kompasroos. De nieuw ontdekte cellen heten ‘raster-cellen’ (grid cells) die, interacterend met beide andere soorten, als op ruitjespapier kaarten produceren die ons in staat stellen de weg te vinden en hindernissen te omzeilen, zelfs in het donker. Hoe fascinerend? En wat betekent dat voor de desoriëntatie van veel mensen op het spectrum? Is hun GPS defect wegens verminderde prikkelgeleiding of andere disfunctionerende hersenprocessen? De neurowetenschap heeft hier nog geen antwoord op, maar dat is een kwestie van tijd. Hier loopt de studie die kan helpen bij autisme-vriendelijk ontwerpen tegen een grens aan. Die constatering rechtvaardigt uiteraard op geen enkele manier mijn aanvankelijke oordeel over autisme-vriendelijk ontwerpen als beperkt, en saai.

De neurowetenschappen zijn niet de enige bron van inzicht in autistische problemen met de gebouwde omgeving. Concepten uit de omgevingspsychologie die licht werpen op algemene ervaringen met de ruimte kunnen ook helpen bij het bedenken van effectieve aanpassingen van gebouwen. Hoe kunnen begrippen als territorialiteit, overbevolking, sociale, thermische, en tactiele ruimte de autistische ervaring van de ruimte verhelderen? Voor zover ik weet is alleen ‘persoonlijke ruimte’ doorgedrongen tot de autisme-vriendelijke ontwerpliteratuur – door Humphreys als ‘proxemics’.

De evolutionaire psychologie zou ook inzichten kunnen toevoegen. Mij lijkt het redelijk om te veronderstellen dat mensen met autisme het minste moeite hebben met aspecten van de omgeving die het meest met overleving te maken hebben. Hoe eerder op de evolutionaire tijdlijn de bouwstenen voor de ervaring met de fysieke wereld zijn gevormd, hoe kleiner de problemen ermee. Deze problemen nemen toe naarmate de omgeving meer door mensen is gecreëerd en de symbolische betekenissen krijgen die bekende autistische struikelblokken vormen.

Als we eenmaal gaan zoeken naar de mechanismen achter de problemen die mensen met autisme met de fysieke omgeving hebben, opent zich een spannende en grenzeloze wereld van bestaande en potentiele kennis. Dat doet me denken aan de parabel van Boeddha die als klein jongetje huilend naar huis rende; zijn moeder keek in zijn mond en zag het universum.

Controversen en paradoxen

Mijn derde misvatting wat betreft het ontbreken van een intellectuele uitdaging in dit nieuwe veld bleek bijna lachwekkend. Ik ken geen terrein dat zo bezaaid ligt met tegenstrijdigheden en paradoxen en dat zoveel analytische vermogens vereist als nodig zijn om zelfs maar de meest elementaire orde op te leggen aan zo’n grote verscheidenheid van aanpassingen.

Nogal wat ontwerpoverwegingen en –richtlijnen worden als controversieel opgevat, terwijl het vaker om paradoxen dan om echte tegenstrijdigheden gaat. De meest algemene is: is autisme-vriendelijke architectuur werkelijk nodig, of is het beter om mensen met autisme met de echte wereld te confronteren, waarin we hopen dat ze kunnen integreren en gelukkig zijn? Het antwoord is: het hangt ervan af. Vooral van twee dingen: de ernst van het autisme en de daarmee verbonden executieve en andere cognitieve kenmerken enerzijds en de individuele toekomstverwachtingen anderzijds. Een kleine minderheid zal altijd enige vorm van institutionele zorg nodig hebben, dus waarom hen blootstellen aan subjectief ondraaglijke fysieke omstandigheden? Anderen hebben duidelijke vooruitzichten op een (semi-)zelfstandig leven zonder dat er veel speciale aanpassingen nodig zijn die verder gaan dan persoonlijke voorkeuren (b.v. qua kleur, verlichting, lawaai en rommel in huis). Daartussen bevindt zich een substantiële groep die nog niet klaar is voor de grote samenleving, maar dat vermoedelijk zal worden na training in interactie-, werk- en huishoudelijke en zelfverzorgingsvaardigheden. Veelvoorkomende generalisatieproblemen vereisen dat zulke trainingen plaatsvinden in ‘realistische’ omstandigheden, hetgeen in de richting wijst van geen aanpassingen. Voor velen op het spectrum is dit echter een brug te ver omdat ze wegens hun zintuiglijke en andere autistische tekortkomingen niet kunnen leren in een niet-aangepaste omgeving. Sommigen hebben een school en/of behandelhuis nodig in een rustige wijk, terwijl anderen beter af zijn in de drukte van de stad. Eten bereiden bijvoorbeeld zou kunnen beginnen in een keuken die geheel is ingericht op alle denkbare autistische handicaps, terwijl men het later, eenmaal zelfstandig wonend, met veel minder of helemaal zonder aanpassingen kan stellen.

Een algemeen geldig antwoord op de vraag of sterke stimuli altijd buiten de deur gehouden moeten worden bestaat evenmin. In feite zijn er meer kinderen op het spectrum, speciaal tussen 6 en 9 jaar, die eerder hoge dan lage zintuiglijke drempels hebben; zij zouden daarom meer gebaat zijn bij hoge-stimulus-ruimten. Maar hier zit een adder onder het gras, eigenlijk twee. De verschillende zintuigen van één individu kunnen zowel hoge als lage drempels hebben. Ten tweede kan men niet meer aan alle individuele voorkeuren voldoen zodra er sprake is van een groep, zoals in een behandelinstelling of een school. Beide omstandigheden maken dat de lage-stimulus-optie meestal de beste is, mits deze wordt aangevuld met speciale ruimten waar, om het zo te zeggen, de volumeknop naar het maximum kan.

Zo zijn er wel meer paradoxen zoals de grootte van ruimtes: groot voor het overzicht, de oriëntatie en ter vermijding van botsingen met mensen en dingen; klein voor het gevoel van veiligheid en stimulus-reductie. Ook dit hang ervan af; van het individu en zijn stemming.

Echte controversen zijn er ook. Een betreft kleuren. Men is het erover eens dat mensen met autisme extreem gevoelig kunnen zijn voor kleuren en ook dat veel van hen grote moeite hebben met heel heldere en schrille en/of contrasterende kleuren. De controverse is of kleuren zelf (hun tint) intrinsieke kwaliteiten hebben zoals verontrustend, kalmerend of neutraal. Whitehurst zegt van wel – roze en paars kalmerend, grijs neutraal – terwijl de Kannerhuis-expert zegt van niet; en beiden baseren zich op de wetenschap. Volgens de laatste hebben verschillende kleuren verschillende effecten op verschillende mensen. Dit is de kern van de controverse, want beide kampen zijn het waarschijnlijk wel weer met elkaar eens dat spiegeling en de mate van kleur-verzadiging veel verschil kunnen maken. (Zie het thema kleur op deze site.)

Of zintuiglijke problemen al dan niet het primaat moeten hebben bij het aanpassen van de omgeving is ook een echte controverse. Mostafa schijnt dat te denken omdat ze een poging heeft gedaan om al haar ‘ontwerp richtlijnen’ in één zogenoemde ‘sensorische matrix’ te vatten waarvan een as wordt gevormd door vijf zintuigen. In de praktijk echter brengt Mostafa, zowel impliciet als expliciet, andere autistische kenmerken in het spel. Een belangrijke aanpassing, ‘ruimtelijke sequentiëring’ (‘ruimtelijk aaneenschakeling’)2 genoemd, is bijvoorbeeld gericht op het beperken van afleiding door andere kinderen; dat is natuurlijk geen louter zintuigelijke, maar ook een sociale kwestie.

Khare & Mullick stellen ook een soort matrix voor waarin ze al hun 43 ‘ontwerp-overwegingen’ onderbrengen, waarvan slechts 8 op de zintuigen zijn gericht. De andere 35 richten zich op de drie diagnostische kern-criteria (interactie, communicatie en stereotype gedragspatronen).
Opmerkelijk genoeg heeft zo’n overduidelijke controverse niet tot verhitte debatten geleid onder de ‘kernauteurs’. Slechts een handjevol anderen hebben er een punt van gemaakt.

Op zoek naar orde

Toen ik eerder de ontmoedigende intellectuele taak noemde om orde te scheppen in de grote verscheidenheid van aanpassingen, was ‘grote verscheidenheid’ een understatement. Wat te denken van de overwegingen bij de keuze van een geschikte locatie voor een school of een behandelhuis in vergelijking met die rond van het beste oppervlak van een aanrecht, de aankoop van een koffiemolen, de keuze tussen koken op gas of ceramisch, het grondplan van een speelplaats, het vermijden van kiezelpaden in de tuin, van timers op de buitenverlichting, van slagschaduwen in de huiskamer, van het delen van een slaapkamer met een broertje of zusje, van een hanglamp boven de keukentafel, van luxaflex of van deuren die tegenover elkaar open gaan?

Sommige aanbevelingen betreffen directe interventies in de gebouwde omgeving, zoals ventilatie of de kleur van de muren. Andere zijn indirect zoals het vrijhouden van zichtlijnen opdat begeleiders en leraren de gemeenschappelijke ruimte of het schoolplein kunnen overzien om pesten te voorkomen. Sommige zijn rechttoe rechtaan zoals het scheiden van toilet en badkamer, andere zijn eerder een principe met verschillende toepassingen, zoals ‘zoning’ bij de inrichting van een klaslokaal of op de schaal van een hele school of langverblijf-instelling in de nieuwbouwfase.

Ik neem aan dat ik niet de enige ben die graag wil dat dit nieuwe veld over een gestructureerde en geïntegreerde body of knowledge kan beschikken waarop autisme-vriendelijke architectonische, en ontwerpbesluiten kunnen worden gebaseerd. Men wil graag dat deeltheorieën over de werking van de autistische geest wat samenhang en een zekere logische ordening vertonen. De enige theoretische overeenstemming die ik heb kunnen vinden betreft 15 gedeelde ontwerp-doelen. Daartoe heb ik nagegaan welke van de 18 doelen die Khare & Mullick hebben ontwikkeld ook voorkwamen bij minstens 5 van de 6 andere ‘kern-auteurs’. (Zie hier.) Echter over de manier waarop deze auteurs die doelen willen bereiken, vond ik die overeenstemming niet en dus ook weinig orde.

Nadat ik een handboek van 250 pagina’s had geschreven en dit vervolgens inkortte tot de oorspronkelijk bestelde brochure van 100 pagina’s, kreeg ik van het Kannerhuis toestemming om het materiaal te gebruiken voor een eigen website. Hoewel ik mijn pogingen had opgegeven om een alles omspannend logisch schema te bedenken, had ik nog steeds een puur praktische ordening nodig. In plaats van een filosofische benadering waarbij tevoren abstracte categorieën worden gedefinieerd die vervolgens met inhoud worden gevuld, koos ik voor het tegenovergestelde, een inductieve ‘bottom-up’-aanpak. In het manuscript markeerde ik alle (binnenhuis-)architectonische maatregelen in één kleur, alle bijbehorende overwegingen in een andere, het doel van de maatregel in weer een andere en de autistische eigenschappen waarom het ging in nog een andere kleur. Vervolgens wiste ik alle ongemarkeerde tekst waarna ik 157 aanbevelingen overhield die ik elk op een systeemkaartje schreef waarmee ik de eettafel en de piano overdekte, teneinde de beste categorieën te vinden. Mijn gezin was het strikt verboden de kamer te betreden gedurende de twee weken die ik daarvoor nodig had. Het resultaat is hier te zien.

Intussen had het Kannerhuis zijn prioriteiten herzien. Onder druk van de bezuinigingen liet het zijn consultatieplannen varen. Behalve een budgettaire teruggang was er ook een algemene kentering waarneembaar in de belangstelling voor dit onderwerp, want de aanzwellende stroom baanbrekende artikelen droogde na 2009 plotseling op. Het leek er sterk op of autisme-vriendelijk ontwerpen was een modegril geweest die zijn beloop had gehad en nu voorbij was.

Heden en toekomst van het autisme-vriendelijk ontwerpen

Vorig jaar had ik een onthullend gesprek met een partner/architect van Mecanoo Architecten, een internationaal befaamde firma die een middelbare school voor autistische leerlingen, als vervanging van een oude heeft ontworpen en die momenteel in Den Haag wordt gebouwd. Hij liet me de plannen zien en legde de details uit. Het was perfect. Met enige moeite wist ik iets te vinden dat beter had gekund en dat ik nu ben vergeten, maar dat in het niets viel bij een aantal oplossingen (zoals verschillende trappen voor op en neer) die nieuw voor me waren. Ik vroeg hem waar z’n expertise vandaan kwam. Hij zei dat hij de oude school had bezocht en uitgebreid met de directeur had gesproken. Hij had een klein team geformeerd met medewerkers die affiniteit hadden met het onderwerp. Zelf was hij de zoon van een lerares bij het speciaal onderwijs; hij was van jongs af zeer vertrouwd met zulke gebouwen. En natuurlijk had zijn team het Internet afgespeurd – en was het misschien een paar minuten op mijn site geweest, maar misschien ook niet. Ik heb niet de illusie dat mijn site uiteindelijk The body of knowledge van het autisme-vriendelijk ontwerpen zal weten te vangen, sterker nog, ik denk dat zoiets niet bestaat, behalve als een soort wolk met vage omtrekken.

De werkwijze van Mecanoo is exemplarisch voor het heden en, denk ik, ook voor de niet al te verre toekomst van het autisme-vriendelijk ontwerpen. De kennis erachter is in principe grenzeloos en is overal vindbaar voor architecten en ontwerpers die de vertalers zijn van die kennis in gebouwen, interieurs en het omringende terrein. Hen maakte het abrupte einde aan de baanbrekende artikelen-stroom niets uit, want ze bouwden meer dan ooit. En waarom zouden ze ook deelnemen aan discussies over controversen zolang ze kunnen uitkiezen wat werkt voor hen? Hun bijdrage zijn gebouwen, geen gefilosofeer erover – de paar uitzonderingen daargelaten aan wie we de geboorte van dit veld te danken hebben. Het is de taak van andere instanties zoals universiteiten om met het onderzoek te beginnen waarmee mettertijd kan worden bepaald welke maatregelen het grootste effect hebben, iets dat hard nodig is om verder te komen dan anekdotes en wishful thinking.

De toekomst van het autistisme-vriendelijk ontwerpen zal vooral afhangen van de vertaalvaardigheid van architecten en hun oordeelsvermogen omtrent de kwaliteit van de groeiende hoeveelheid informatie die overal wordt ontwikkeld. Affiniteit met autisme blijft daarbij cruciaal en is meer dan men misschien zou denken te danken aan persoonlijke ervaringen met autistische familieleden zoals de broer van Simon Humphreys of de kinderen van Keith McAllister, A.J. Paron-Wildes en zoveel andere architecten.

levensloopbegeleiding
Zie Gezondheidsraad, Advies. Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders. Den Haag, Gezondheidsraad, juni 2009. Download
1
Zie voor deze serie auteurs de ‘kernliteratuur‘ op deze site. Een van de beste artikelen, Ahrentzen & Steele, noem ik niet omdat ik dat pas in 2013 ontdekte.
Nobelprijs
Voor de podcast ‘How the brain navigates space, zie hier. En verder o.a. May-Britt Moser, David C. Rowland, and Edvard I. Moser (2015), ‘Place Cells, Grid Cells, and Memory’, Cold Spring Harb Perspect Biol doi: 10.1101/cshperspect.a021808
als controversieel opgevat
Zie b.v. Henry, Christopher N.. “Designing for Autism: Lighting” 19 Oct 2011. ArchDaily. Accessed 08 Sep 2014. Hier. En Henry, Christopher N.. “Designing for Autism: Spatial Considerations” 26 Oct 2011. ArchDaily. Accessed 09 Sep 2014. Hier.
meer kinderen
Zie Ben-Sasson, Ayelet, Liat Hen, Ronen Fluss, Sharon A. Cermak, Batya Engel-Yeger, Eynat Gal, ‘A Meta-Analysis of Sensory Modulation Symptoms in Individuals with Autism Spectrum Disorders’, In: Journal of Autism Developmental Disorders 39(2009) 1(January) 1-11.
2
Ofwel ‘ruimtelijk aaneenschakelen’, een geval van ‘zoning’ in de klas waarin ruimten met verschillende functies van elkaar gescheiden zijn en onderwerp van een beroemd experiment van Mostafa. Het idee hiervoor kan in beginsel worden teruggevoerd op de eerste pioniers op dit gebied, zie Richer, J. M. & S. Nicoll, ‘A playroom for autistic children, and its companion therapy project’, British Journal of Mental Subnormality 17(1971), 33, 132–143.
anderen
De opvallendste commentator is de architectuur journalist Christopher Henry van Archdaily die zijn eigen ‘design consultancy’ bedrijf is begonnen. Zie de eerdere noot ‘als controversieel opgevat’.
brochure
Het verscheen als Met het oog op autisme. Bouwen & inrichten voor mensen met autisme, Doorwerth, Dr. Leo Kannerhuis, november 2013, (ook beschikbaar as gratis e-book) en telt 225 ruim opgemaakte pagina’s.

 

 

 

 

 

error: