Thema ‘Kleur’

‘Kleur’ is een thema bij het hoofdstuk ‘inrichting’, maar komt ook elders aan de orde, vooral onder het thema ‘visualisaties’. (Zie De aanbevelingen.)

Naar kleur en autisme bestaat maar zeer weinig onderzoek. Hoeveel mensen met autisme er last van hebben is moeilijk te zeggen.
Coulter (2009) zegt: ‘Acute kleurgevoeligheid wordt breed gerapporteerd uit eigen ervaring en observaties van anderen. Er zijn mensen met autisme die alleen wit voedsel eten of alleen met speelgoed van een bepaalde kleur spelen.’
Het komt tamelijk veel voor dat mensen ‘op het spectrum’ veel last hebben met extreme kleuren zoals heel schelle, sterk reflecterende en/of contrasterende kleuren. Een extreme overgevoeligheid voor een of meer bepaalde kleuren, los van dergelijke eigenschappen of omstandigheden komt minder vaak voor. Hoe sterk het belang van kleurproblemen wordt gevoeld, valt enigszins op te maken uit de resultaten van een enquête die Marga Mostafa (zie de kernliteratuur) afnam aan ouders en leerkrachten van een aantal autistische kinderen. Hun werd gevraagd om uit zes architectonische of ruimtelijke factoren de belangrijkste te kiezen naar de invloed op hun kinderen en leerlingen. Verreweg het hoogst scoorden geluid en de ruimtelijke indeling. Geen enkele ouder en slechts 4% van de leerkrachten zetten kleur op de eerste plaats. Uiteraard betekent dit niet dat kleuren onbelangrijk zijn, maar wel dat ze maar heel zelden op de eerste plaats komen: geluid en ruimtelijke indeling zijn bijna altijd belangrijker.

Individuele kleurbeleving
Eerst moeten we benadrukken dat kleur sterk individueel wordt beleefd: een sterke voorkeur van de een kan ondraaglijk zijn voor de ander. Voor mensen op het autistisch spectrum zijn deze voorkeuren en overgevoeligheden vaak extra sterk. Zodra men ontwerpt voor meer dan één persoon wordt het noodzakelijk om desondanks naar algemene principes te zoeken, wat meestal – net als bij andere zintuigen – betekent dat in de eerste plaats met overgevoeligheden rekening wordt gehouden.
Bepaalde kleuren of combinaties daarvan kunnen ‘aanvoelen’ alsof er nagels over een schoolbord gaan en kunnen mensen misselijk en duizelig maken. Een bewoner van de langverblijf-afdeling van het dr. Leo Kannerhuis (zie de verantwoording) met veel preoccupaties en dwangmatig gedrag, had een sterke voorliefde voor de kleur geel. Deze overheerste haar kamer; zelfs haar hele afdeling kenmerkte zich door geel.

‘Rustgevend’ beantwoordt aan de meeste wensen, maar een kleur die voor de één een rustgevend is, hoeft dat voor de ander niet te zijn.
De noodzaak om de kleurstelling van ruimten aan te passen is groter naarmate het autisme ernstiger is omdat overgevoeligheid voor kleur daarmee over het algemeen direct samenhangt. (Iets wat trouwens voor alle zintuiglijke overgevoeligheden geldt.) Een andere reden voor een grotere relevantie van kleur bij mensen met ernstiger autisme is dat zij vaak verder gaan in hun preoccupaties en die  kunnen ook kleur betreffen, zoals in het zojuist genoemde verblijfhuis-geval.

Kleur op zichzelf
Naast zulke individuele verschillen is er over het kleurgebruik in ruimten voor mensen met autisme toch redelijk grote overeenstemming: hoe koeler de kleuren hoe minder risico op stress of andere overstimulering. Dat wil zeggen: de blauwe en groene kant van het spectrum is rustgevend in vergelijking met de meer stressverwekkende rode en gele kant. Het gaat dus om een algemene tendens met vaak flinke individuele verschillen.
Dijkstra verrichtte promotie-onderzoek naar onder meer de kleur van wanden in zorginstellingen onder mensen zonder autisme waarin de zojuist genoemde effecten van warme en koude kleuren nog eens werden bevestigd. Zij deed de belangrijke ontdekking dat de mate van stress/stimulering sterk afhangt van het vermogen van de betrokkenen om kleur selectief waar te nemen. ‘Hoge screeners’ zijn in staat om niet-relevante stimuli buiten te sluiten en zo de complexiteit van hun omgeving te verminderen. Dit uiteraard in tegenstelling tot ‘lage screeners’ die daartoe niet in staat zijn. Hoge-screeners bleken significant minder gestrest/gestimuleerd te worden door (zowel warme als koude) kleuren dan lage-screeners. We stellen voor ervan uit te gaan dat mensen met autisme over het algemeen in sterke mate ‘lage screeners’ zijn. Immers juist het in aanmerking nemen van de context en daarmee flexibel omgaan zijn voor verreweg de meeste mensen met autisme extreem moeilijk. Denk daarbij vooral aan een zwakke centrale coherentie (ook wel context blindhied’ genoemd) en ook aan geringe flexibiliteit. Al met al zou dit betekenen dat mensen met autisme gemakkelijker op stressvolle wijze door kleuren worden beïnvloed dan niet autistische.

Kleureigenschappen
Sommige deskundigen leggen niet zozeer de nadruk op de kleuren zelf, maar op eigenschappen als helderheid en mate van reflectie. Zo lijkt er unanimiteit te bestaan (zie o.a. Henriksen et al.) over kleureigenschappen: gedekte en neutrale kleuren verdienen de voorkeur.
‘Knalkleuren’ en reflecterende kleuren zijn dan ook geen goed idee. Heldere, frisse kleuren daarentegen wel, evenals pastelkleuren. Gedekte kleuren, die meer gemengd zijn en minder verzadigd, zijn minder agressief. Alle zachte kleuren zijn rustgevend. Veel bewoners van het Kannerhuis houden van ‘schone kleuren’, dat wil zeggen alleen met wit vermengd.

Kleur in context
Behalve de kleuren zelf, hun andere eigenschappen, zoals hun reflectie, zijn ook de wijze waarop ze worden gecombineerd, de lichtval, de grootte van de kleurvlakken, de afstand tot de waarnemer en nog meer omstandigheden van belang die we samen de context noemen.
Een van de deskundigen van het dr. Leo Kannerhuis (zie de verantwoording) acht deze context bepalend: waar, voor wie, welke materialen, is de ruimte groot of klein, want kleuren die verder weg zijn verbleken. Zij zegt: ‘Hoe is de zonlicht-inval? Lichte, ongemengde kleuren zoals wit, geel, helder groen hebben een reflecterende werking.’
‘Een prikkelarm kleurschema hoeft geen saai kleurenschema te zijn maar eerder een harmonieus kleurenschema, bestaande uit pastelkleuren en het gebruik van vloeiende lijnen. Hierdoor wordt het levendig en toch rustig, en krijgt het een warm karakter. Als je aan prikkelarm denkt, realiseer je dan dat licht-donker contrast een sterkere werking heeft dan verschil in kleurtoon, je dient dus vooral eerst het contrast te minimaliseren daar waar het nodig is.’

Conclusies, toepassingen

Conclusions, applications
Application of these insights seem riddled by contradictions: should one start from general principles or rather from individual and idiosyncratic perceptions? How should one weigh the consequences stemming from ‘color by itself’, ‘color properties’ and ‘color in context’ against one another?

Opinions differ sometimes widely around all these questions. Employing soothing colors at the cool end of the spectrum which are muted and have low glare is nevertheless a well accepted general policy.
Here we adhere to the assumption that not much can be said about preferences for specific ‘colors as such’. This might change however if the results of a small recent study will be confirmed.

Given a collective use of space, general principles will tend to prevail. Simultaneously, individual sensitivities and preferences should be taken into account insofar as circumstances allow. For instance, color application in the private room of a resident of a treatment- or long-stay home should allow for indiviual preference while the collective areas will require color application that adheres to general principles. In non-collective situations such as independent living, such concessions to general principles are not necessary. Children living at home are in between these options; the seriousness of their color sensibilities will determine to what extent family members are asked to adapt.

Bij toepassing van deze kennis lijkt het voorgaande hier en daar tegenstrijdig: moet men uitgaan van algemene principes of juist van de individuele kleurbeleving? En hoe moeten de consequenties van de onderwerpen ‘kleur zelf’, ‘kleureigenschappen’ en ‘kleur in context’ tegen elkaar worden afgewogen?

De opvattingen over al deze vragen lopen vaak wijd uiteen. Men richt zich vrij algemeen op de rustgevende kwaliteiten van kleuren aan de koele kant van het spectrum en ook op gedekte, niet reflecterende kleuren; verder speelt de context een belangrijke rol.
Hier gaan we van de veronderstelling uit dat er niet veel te zeggen valt over individuele voorkeuren voor ‘kleuren op zichzelf’. Dat standpunt zou echter wel eens kunnen veranderen als de uitkomsten uit een recente, maar kleine studie worden bevestigd. Grandgeorge & Masataka vergeleken de kleurvoorkeuren van 29 jongens met ASS met die van 38 zich normaal ontwikkelende jongens en vonden significante verschillen. De ‘normale’ groep gaf een voorkeur aan geel, terwijl de ASS groep een voorkeur had voor groen en bruin. Deze uitkomst onderstreept de controverse op dit punt aangezien deze contrasteert met het eerder gegeven voorbeeld van een Kannerhuis-afdeling waar het geel domineerde.

Het moge duidelijk zijn dat zich vooral dilemma’s voordoen waar het gaat het om collectief gebruik van ruimten. Vaak genoeg kan rekening worden gehouden met individuele gevoeligheden en voorkeuren. Dat laatste bijvoorbeeld door kleurtoepassing in de eigen kamer van een bewoner van een behandel- of verblijfhuis. Waar ruimten voor individuen worden ingericht kan optimaal met de individuele gevoeligheden rekening worden gehouden. Dat laatste bij zelfstandig wonen en in wat mindere mate bij thuiswonende kinderen. In het laatste geval zal de ernst van de kleurgevoeligheden bepalend zijn voor de aanpassingen die op dit punt van de mede-gezinsleden kan worden gevraagd.

Bij de toepassingen van kleurvereisten komen nog andere overwegingen te pas dan de kleurbeleving perse. Donna Williams noemt bijvoorbeeld het volgende:
– consistente kleuren van wanden en vloeren maakt dat men zich niet aan verandering daarin hoeft aan te passen;
– egale, niet-versierde oppervlakten van muren, vloeren en meubels zorgen voor minder overload en minder fragmentatie (en nodigen ook minder uit tot compulsief gedrag).

*
Coulter

Coulter, Rachel A., ‘Understanding the Visual Symptoms of Individuals with Autism Spectrum Disorder (ASD)’ In: Optometry & Vision Development, 40(2009)3, 164-175. Hier te vinden.
Dijkstra
Dijkstra, Karin, Understanding Healing Environments: Effects of Physical Environmental Stimuli on Patients’ Health and Well-Being, University of Twente, 2009 (Thesis) Het gehele proefschrift kan hier worden gedownload.
Henriksen
Henriksen, Kristen and Migette L. Kaup, ‘Supportive Learning Environments for Children with Autism Spectrum Disorders’, In: Undergraduate Research Journal for the Human Sciences 9 (2010) Het artikel kan hier worden gedownload.
Williams
Williams, Donna, Autism – An Inside-Out Approach, London and Philadelphia, Jessica Kingsley Publishers, 1996.

 

error: