Inleiding tot autismevriendelijk ontwerpen

Inleiding tot autismevriendelijk ontwerpen

Nadat ik eerder leerling B-verpleegkundige was geweest en was afgestudeerd in de sociologie, ben ik tot op heden als onderzoeker en boekenschrijver over geestelijke gezondheidszorg-onderwerpen werkzaam gebleven. Daaronder was een boek, geschreven in opdracht van en in samenwerking met het Dr. Leo Kannerhuis, over het bouwen en inrichten van woningen en gebouwen voor mensen met autisme. Nadat dit in 2013 uitkwam, ben ik met deze website begonnen, waardoor ik elke dag weer iets nieuws leer; hoe meer ik erover te weten kom, hoe boeiender het wordt.

Autisme
Autisme is een grotendeels erfelijke stoornis die voortkomt uit afwijkingen in de hersenen en die in alle levensgebieden doordringt. Wetenschappers ontdekken er elke dag wel iets nieuws over. Er komt ook veel nieuwe kennis bij van mensen die het zelf hebben. Vooral in de V.S. en Engeland is er een emancipatieproces gaande van goed communicerende mensen met autisme die hun problematiek niet als een stoornis beschouwen, maar als ‘neurologisch anders’ (‘neurodivers’) en zeker niet als minder dan mensen zonder autisme, door hen ook wel ‘neurotypicals’ genoemd. De laatste dertig tot veertig jaar heeft meer kennis en begrip van alle vormen van autisme bijgedragen aan een toename van het aantal mensen met autisme zodat nu 1 op de 68 van de bevolking als zodanig kan worden gediagnosticeerd, vergeleken met 1 op de 2500 in het verleden.

De publieke belangstelling voor autisme is de laatste jaren enorm toegenomen en het imago ervan is drastisch veranderd. Denk maar aan de film “Rain Man” (1988) waarin Dustin Hoffman een totaal onaangepast rekenwonder speelde. En vergelijk dat met de huidige Amerikaanse serie “Big Bang Theory” waarin hyperintelligente, sympathieke mensen door hun sociale onhandigheid in humoristische situaties terecht komen. Voor de grote meerderheid van mensen met autisme ligt de werkelijkheid tussen deze twee uitersten van het autistisch spectrum in.

Er wordt vaak gezegd dat iedereen op het autismespectrum anders is. Dat komt doordat er zoveel verschillende autistische kenmerken bestaan dat de een heel andere kan hebben dan de ander.Bovendien wordt het steeds duidelijker dat meisjes en vrouwen met autisme zich anders gedragen dan jongens en mannen. Ze zijn sociaal gevoeliger en beter in het doen alsof ze normaal zijn (Pretending to be Normal is een boek erover). Dat is een reden waarom het aantal vrouwen met autisme nog steeds wordt onderschat.
Wat iedereen met een autismediagnose gemeenschappelijk heeft, zijn afwijkingen in de sociale interactie en/of de communicatie, naast ‘beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten’. Mensen met heel ernstig autisme kunnen of willen niet praten en lijken zich niets van anderen aan te trekken. Ze leven in een eigen wereld waarin ze uren bezig kunnen zijn met het draaien van een stukje speelgoed en fladderende bewegingen maken met hun armen. Daar tegenover staan de begaafde tot zeer hoogbegaafde mensen zoals we zien in “Big Bang Theory”. Zij zijn vaak briljant op gebieden als wiskunde, informatica, sterrenkunde, techniek en muziek – als er maar een systeem in zit, hoe meer systeem hoe beter.
Ondanks deze talenten zijn ze meestal sociaal onbeholpen en ervaren ze andere mensen als onvoorspelbaar en onbegrijpelijk omdat ze geen antenne hebben voor sociaal gedrag en bijvoorbeeld geen gezichten of lichaamstaal kunnen ‘lezen’.

Ook heeft bijna iedereen op het autismespectrum zintuiglijke problemen: geluid wordt zeer luid of juist heel zacht waargenomen, velen hebben extreem veel last van licht, geuren of sommige kleuren, of kunnen niet goed reageren op warmte of kou. Dat laatste is onderdeel van de tastzin waarin meer afwijkingen voorkomen, zoals dat bepaalde kleding erg pijnlijk aanvoelt of de aanraking van anderen onverdraaglijk is.

Hoewel autisme ongeneeslijk is, kan men tot op zekere hoogte wel sociale vaardigheden aanleren, zoals hoe men een gesprek moet voeren: luisteren, om de beurt spreken, oogcontact hebben en niet eindeloos over de eigen hobby’s praten. (Dat hoort bij de genoemde stereotype belangstelling.) Autisme blijft echter een stoornis die alle levensgebieden doordringt en die het lastig maakt om relaties aan te gaan, een studie af te maken of een betaalde baan te krijgen en te houden. Dat lukt maar weinigen. Genezing is erg zeldzaam, behalve als men heel vroeg in de kindertijd wordt gediagnosticeerd en behandeld.

Autismevriendelijk bouwen en inrichten: de zintuigen
Mensen met autisme moeten ergens wonen, gaan naar school en werken, al dan niet in een betaalde baan. Anderen zijn opgenomen in een GGZ-instelling voor behandeling of langdurig verblijf.
Hoe die woningen en gebouwen zijn gebouwd en ingericht, maakt veel uit voor hun welbevinden. Denk maar aan het lawaai dat in alle scholen voorkomt: voor iemand die dat twee, drie of wel tien maal zo sterk ervaart kan dat onverdraaglijk pijnlijk zijn. Geluidsisolatie ten opzichte van de buren, akoestiek tegengaan, stille ventilatiesystemen, het buiten de keuken plaatsen van de motoren van afzuiginstallaties, zijn slechts enkele voorbeelden van maatregelen die het autistische leven meer leefbaar kunnen maken wat lawaai betreft.

Grote ramen waardoor veel zonlicht binnenkomt zijn af te raden, niet alleen wegens een veel voorkomende overgevoeligheid voor licht, maar ook wegens mogelijke afleiding van buiten. Iemand met autisme kan gemakkelijk helemaal opgaan in het bekijken van het verkeer waardoor hij de hele dag aan niets anders meer toe komt. Binnen kan zonlicht door het broeikaseffect een ruimte oververhitten. Bij mensen op het spectrum komt het vaak niet op om gewone (half)bewuste maatregelen te nemen zoals een trui uitdoen, een raam open zetten of minder bewegen. Zo kunnen ze oververhit (of in het tegenovergestelde geval onderkoeld) raken. Een goede temperatuurbeheersing is daarom erg belangrijk.

Oriëntatie, interacteren en communiceren
Terwijl architectonische maatregelen tegen zintuiglijke afwijkingen makkelijk voorstelbaar zijn, zijn er ook minder voor de hand liggende autismekenmerken die eveneens om autismevriendelijke maatregelen vragen. Dat zijn o.m. oriëntatieproblemen (waar ben ik?) en de genoemde kernproblemen met interactie en communicatie.
Oriëntatieproblemen worden onder andere veroorzaakt door wat een ‘zwakke Centrale Coherentie’ wordt genoemd. Mensen zonder autisme zien een paar details van bijvoorbeeld een muur, gang of raampartij en maken daar automatisch en gemakkelijk een totaalbeeld van waarmee ze zichzelf in de ruimte kunnen plaatsen. Mensen met autisme kunnen dat vaak niet. Zij zien daarentegen details waar ze geen of heel moeilijk een totaalbeeld van kunnen maken. Geen wonder dat ze vaak niet precies weten waar ze zijn.

Een ander autismekenmerk is moeite hebben zich flexibel in te stellen op een nieuwe situatie, dus met ‘schakelen’. Dat heeft veel te maken met Leo Kanner, die in 1943 het autisme voor het eerst zou hebben ‘ontdekt’. Hij beschouwde “een angstig en obsessief verlangen naar gelijkblijvendheid” als een kernkenmerk van autisme. Mensen met (ernstig) autisme kunnen (zwaar) van streek raken als er iets in hun omgeving verandert. Een vereiste voor de inrichting van de omgeving is dan ook dat er altijd een goed overzicht moet zijn. Vandaar dat er bijvoorbeeld veel behandelcentra bestaan met een soort binnenplein van waaruit bijna alle andere ruimten zichtbaar zijn.
Een andere maatregel wordt zoning genoemd, waarbij het aantal functies van ruimten zoveel mogelijk wordt beperkt, liefst tot een: in de speelkamer wordt alleen gespeeld. Bij zoning hoort ook dat ruimten worden ingedeeld naar de intensiteit van hun functies: hoge-energie (en lawaai)ruimten bij elkaar (bv. voor sport of muziek) in een deel van het gebouw en lage-energieruimten (bv. voor huiswerk maken of lezen) geclusterd in een ander deel.

Een van de belangrijkste sociale problemen die met autismevriendelijke architectuur kunnen worden verminderd is pesten. Kinderen met autisme worden heel veel vaker gepest dan andere en kunnen daaraan ernstige trauma’s overhouden. Een school moet daarom zo worden gebouwd dat er altijd zichtlijnen open blijven waardoor leerkrachten goed toezicht kunnen houden, niet alleen binnen de school maar ook erbuiten o.m. op het schoolplein. Jongere kinderen in behandelinstellingen kunnen op het speelterreinen vanachter glas in de gaten worden gehouden, mits het ontwerp daarin voorziet. Zij zijn dan veilig zonder zich steeds bekeken te voelen.

Een voorbeeld van een simpele maar effectieve maatregel die tegelijk rekening houdt met sociale interactie-, communicatie- en schakelproblemen, kan voorkomen iemand thuis overrompeld wordt door onverwacht bezoek. Mensen die aanbellen worden vaak niet meteen herkend en dat kan angstig zijn. Door bv. een camera met luidspreker bij de deur te hangen krijgt iemand ‘schakeltijd’, kan hij bedenken wie het is en of hij aan bezoek toe is; ook kan worden gevraagd om te wachten of later terug te komen.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van autismevriendelijk ontwerpen. Er zijn nog honderden andere te noemen. Heel veel autistische problemen kunnen met bouwen en inrichten een heel stuk worden verminderd. Het is een nieuw en spannend terrein waar de komende tijd nog veel zal worden ontdekt.

Meer over al deze dingen is gemakkelijk terug te vinden door een zoekterm onderaan deze pagina in te typen. Er kunnen ook vragen worden gesteld. Tevens is er een gratis eBook over: http://issuu.com/studiospence/docs/bouwen_en_inrichten_voor_autisme_we/1http:http:

error: